klinken

Thesaurus

klinken:

timmerenvastslaan, vastklinken, spijkeren,
Vertalingen

klinken

gellen, klingen, läuten, nieten, tönen, schrillenrivet, sound, ringsonner, résonner, enchaîner, paraître, river, trinquer (à)rumore, sano, secondo, solido, suonosonidoзвукsomالصوتdźwiękήχοςзвук声音聲音zvuklydצלילサウンドljudเสียง (ˈklɪŋkə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd klonk , voltooid deelwoord heeft geklonken
1. (van een geluid) hoorbaar zijn Er klinkt een alarm in de verte. Ze hoest en klinkt hees De kamer klinkt hol.
helemaal in orde zijn Dat plan klinkt als een klok.
2. genoemde indruk maken Dat verhaal klinkt ongeloofwaardig.
3. met je glas tegen het glas van iemand anders tikken Bruidspaar, laten we klinken op een gelukkig leven.
Kernerman English Multilingual Dictionary © 2006-2013 K Dictionaries Ltd.