klappen

Thesaurus

klappen:

smakkenknallen, vuistslagen,
Vertalingen

klappen

hauen, klacken, klappen, klopfen, schlagen, schnalzen, klatschenclap, click, hit, knock, rattle, strike, beat, applaudclaquer, applaudir, battre, frapper, heurter, éclater, jacasser, pétergolpear, aplaudiraffìggere, picchiare, scioperare, sciopero, applaudireيُصَفِّقُtleskatklappeχειροκροτώtaputtaapljeskati拍手する손뼉을 치다klappeklasnąćbater palma, bater palmasхлопатьklappaปรบมือalkışlanmakvỗ tay鼓掌 (ˈklɑpə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd klapte , voltooid deelwoord
1.
voltooid deelwoord heeft geklapt
met de handen op elkaar slaan Na de mooie uitvoering begon het publiek enthousiast te klappen. Na de pauze klapte de docente in haar handen om iedereen weer naar de les te krijgen.
2.
voltooid deelwoord is geklapt
met een klap (1) kapotgaan De auto staat met een geklapte band langs de weg. klapband
3.
voltooid deelwoord is geklapt
met een klap (1) vallen of tegen iets aan komen Zij viel van de fiets en klapte tegen de grond.
veel ervaring hebben
Kernerman English Multilingual Dictionary © 2006-2013 K Dictionaries Ltd.