luiden
Vertalingen
luiden
hallen, klingen, lauten, läuten, schallen, tönenpeal, read, ring, saysonner, tinter, être conçu, carillonner ('lœydə(n))werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd luidde , voltooid deelwoord heeft geluid
1. (een kerkklok) geluid laten maken Op zondag luiden de klokken al om acht uur.
2. zijn Mijn antwoord luidt nee.
Kernerman English Multilingual Dictionary © 2006-2013 K Dictionaries Ltd.