been

Thesaurus
Vertalingen

been

Knochen, Bein, Arm, Gebein, Pfote, Unterschenkelbone, leg, paw, armjambe, os, patte, bras, giguehueso, piernaluu, jalkaossogamba, ossa, osso, zampaoskość, nogaosso, pernakemik, bacakxương, chânκόκαλο, πόδιкость, нога, штанинаرِجْلٌnohabennoga다리beinbenขา (ben)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud benen
1. anatomie elk van de onderste ledematen van een mens je been breken met de benen over elkaar
met iets vervelends te maken krijgen
boos op iets reageren
een slecht (ochtend)humeur hebben
je best doen
zelfstandig zijn
nog goed kunnen lopen
slecht kunnen lopen
bijna dood zijn
veel mensen trekken die komen kijken, luisteren enz.
iemand zó helpen dat hij weer alleen verder kan
zorgen dat je niet ziek wordt
je hebt van veel dingen er twee nodig
uitgeput zijn
vluchten
koppig zijn
iemand misleiden
weer zijn hersteld na een ziekte
iemand kwetsen
realistisch zijn
een wandelingetje maken
geen argumenten hebben
heel hard lopen of werken
al veel gelopen hebben
iemand laten struikelen
2. deel van het skelet
geen bezwaar hebben tegen iets
3. wat op een been (1) lijkt
de scharnierende delen van een passer
de poten van de letter 'M'
Kernerman English Multilingual Dictionary © 2006-2013 K Dictionaries Ltd.
Collins Multilingual Translator © HarperCollins Publishers 2009