het
Thesaurus
het:
ieOpenThesaurus. Distributed under GNU General Public License.
Vertalingen
het
(hɛt/ət)lidwoord
<woord dat je combineert met een onzijdig zelfstandig naamwoord> het huis met de tuin Dit is het beste dat ik krijgen kon.
het
es, am, das, der, die, ihmit, the, totheil, le, l', la, lui, y, à l', à la, au, aux, elle, les, au [à + le], c', ça, ça/cela, ce, des [de + les], en, le/la, le/la/l' … majeur(e), le/la/l' … par excellence, le/la/l' … qu'il me (te, lui etc.) faut, ce/c'/ç', le/la/lesa lui, essoهُو/هِيtodenαυτόlosetoそれは그것dentopronome que se refere a coisas inanimadasон, она, оноdenมันonó它 (hɛt/ət)voornaamwoord
1. <je gebruikt dit woord als onbepaald onderwerp of lijdend voorwerp> Het regent. Het zijn echte Hollanders. Ik houd het hier wel uit.
2. <je gebruikt dit woord als je verwijst naar een onzijdig woord> We gingen naar een natuurpark, maar het was al gesloten.
Kernerman English Multilingual Dictionary © 2006-2013 K Dictionaries Ltd.
- Het maakt niets uit
- Gaat er een bus naar het strand?
- Mag ik het passen?
- Hoe lang duurt het?
- Is het paleis open voor het publiek?
- Wat kost het?
- Hoeveel is het?
- Hoeveel is het in totaal?
- Het doet pijn
- Moet hij naar het ziekenhuis?
- Het is twee uur
- Het is kwart voor twee
- Het is tien voor twee
- Het is twaalf uur 's middags
- Wat is het?
Collins Multilingual Translator © HarperCollins Publishers 2009